Geschiedenis

Dat er al vroeg een kerkje in Voorburg was, gewijd aan Sint Maarten, blijkt uit de Blaffert (een aantekenboek) van het bisdom Utrecht uit het jaar 960.

In de loop van de 13e eeuw werd een nieuwe kerk, de huidige Oude of Martinikerk, gebouwd. Dit gebouw moest na de reformatie in 1575 worden afgestaan. De katholieke bijeenkomsten moesten voortaan in het geheim plaatsvinden en de zielzorg werd waargenomen door de paters Jezuïeten uit Den Haag.

Na de vrede van Münster in 1648 werd de tolerantie voor de katholieken beter. Katholieken konden vaste ruimten inrichten voor de eredienst. Als van buiten maar niet te zien was, dat het een kerk was. In 1654 werd de buitenplaats ‘Bijvliet’, op de plaats waar nu kerk en kerkhof ligt, aangekocht en als kerk ingericht. In de loop der eeuwen is deze kerk diverse malen opnieuw gebouwd, maar nog steeds als kerk onzichtbaar vanaf de weg.

Na 1800 en zeker na de nieuwe grondwet van 1848 kan de zichtbaarheid van de kerk groter worden. In 1866 wordt de huidige pastorie gebouwd naast de dan bestaande kerk. In 1890 wordt besloten de huidige kerk te gaan bouwen. Op 24 april 1893 vond de consecratie plaats door de bischop van Haarlem.

Na de tweede wereldoorlog worden in 1946 drie nieuwe klokken aangeboden in plaats van de eerdere klokken die in de oorlog ingeleverd moesten worden. In de 50-tiger jaren van de vorige eeuw worden een votiefraam, een nieuwe doopkapel en de Maria-kapel toegevoegd. Daarna wordt de kerk grondig aangepast aan de moderne liturgie. In 1960 wordt het nieuwe hoofdaltaar geconsacreerd door de bischop van Rotterdam. Een uitgebreide restauratie vind nog plaats van 1990 tot 1993.

Op 1 juni 2002 zijn de drie parochies H. Martinus, O.L. Vrouw ten Hemelopneming en De Goede Herder gefuseerd. Ingaande 1 januari 2008 zijn de drie parochies definitief gefuseerd tot één parochie. De Martinuskerk is na de samenvoeging van de drie Voorburgse parochies na een grondige verbouwing en herinrichting op 15 januari 2012 uiteindelijk de parochiekerk geworden.

Het kerkgebouw

De kerk werd gebouwd vanaf 1891 en geconsacreerd in 1893. De architect was Evert J. Margry. Hij ontwierp een driebeukige kruiskerk in neogotische stijl. Omdat Margry in 1891 overleed werd de kerk afgebouwd door zijn broer Albert Margry.

Het gebouw is een rijksmonument en de beschrijving is:.

Neogotische kruisbasiliek met smaller koor, omgeven door een omgang. Toren met twee rijk geprofileerde nissen in iedere gevel van de klokkenverdieping, bekroond door frontalen en een naaldspits. Mechanisch torenuurwerk, waarschijnlijk B. Eijsbouts, circa 1920, later voorzien van elektrische opwinding.

Het schip heeft schoorbogen. Prismatische bundelpijlers met bakstenen kolonetten en van de lijstkapitelen opgaande geringe schalken.

Het koor heeft gepolijst granieten zuilen met bladkapitelen. Pijlers, bogen en kruisribgewelven zijn als schoonwerk behandeld, de muurvlakken zijn gepleisterd.

Het orgel is gebouwd door Jos H. Vermeulen in 1960. Mogelijk is er materiaal gebruikt van het voormalige Franssen orgel. Men maakt tevens gebruik van een elektronisch orgel, van de firma Content, type D5800.

Hier vindt u twee korte filmpjes van de Sint Martinus.

De kruiswegstaties

Toegewijd aan de H. Martinus van Tours

De H. Martinus van Tours was een uit Hongarije afkomstige Romeinse soldaat. Geboren in Sabária in 316 of 317 als zoon van een Romeins magistraat, nam hij op 15-jarige leeftijd dienst in het Romeinse leger en kwam bij een ruiterij in Gallië. Op een van zijn tochten in Frankrijk zag hij een bedelaar bij de stadspoort zitten. Martinus zag de nood waarin de bedelaar verkeerde, nam zijn zwaard en sneed zijn mantel in tweeën en gaf de helft aan de man. Die nacht in zijn slaap, droomde hij dat Christus bij hem kwam, die de helft van zijn mantel droeg. Deze droom liet Martinus niet meer los. Op 18-jarige leeftijd liet hij zich dopen. Ouder geworden werd hij officier. Maar na enige tijd verliet hij het Romeinse leger en ging naar zijn ouderlijk huis in Pannonië terug. Hij keerde echter later naar Frankrijk terug waar de mensen naar hem luisterden en zijn raad vroegen. Rond het jaar 360 had hij zich gevestigd in Ligugé, ten zuiden van Poitiers, als kluizenaar. In 372 stierf de Bisschop van Tours en werd Martinus zijn opvolger. Martinus bleef zijn werk als missionaris doen. Hij richtte een aantal kloosters op, onder andere het klooster Marmoutiers, waar men zich in stilte kon terugtrekken. Hij stierf 81 jaar oud in het najaar van 397 en werd in Candes in Frankrijk begraven. De gelovigen beschouwden hem als een heilige en zijn sterfdag, 11 november, werd een feestdag. Hij werd beschermheilige van vele gilden en verenigingen, o.a. ruiters-, reizigers-, bedelaars-, herbergiers-, gevangenen- en kleermakersgilde. Dat hij leefde in de tijd van de grote Volksverhuizing hielp misschien wel mee aan de verspreiding van zijn naam en faam. En met de Franken wordt St. Martinus ook in onze streken bekend via de waterwegen en de handelswegen, zodat St. Martinus ook wel de naam “Waterheilige” draagt. Wanneer Willibrord zijn eerste kerk bouwt in Utrecht, wordt deze gewijd aan St.Martinus.

Bronnen:

  • Harms, M.J., 1993, Ik ben niet iemand die wijkt voor de Ouderdom. Verleden en Heden van de Voorburgse St. Martinusparochie, Voorburg, St. Martinusparochie (ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van het kerkgebouw)
  • Monumentomschrijving Rijksdienst
  • Wikipedia, Reliwiki

 

Serie artikelen over de geschiedenis van de Sint Maartenparochie van Bernard Dijkman

1. De nieuwe Sint Martinuskerk van Voorburg

Op 24 april 2021 is het exact 128 jaar geleden dat onze St. Martinuskerk werd geconsacreerd door de toen zeventigjarige Haarlemse bisschop Mgr. Caspar Bottemanne.

Intussen had deze kerk al twee voorgangers gekend: de oudste, uit ± 1275, dus de eerste St. Martinuskerk aan de Herenstraat bleef in katholieke handen tot het jaar 1575, om toen over te gaan naar de Nederduits Gereformeerde Gemeente, zoals die toen werd genoemd. Dat jaar 1275 vinden we terug in het Register van de Leenkamer van Holland. Daar meldde men dat er “een parochie van den Heiligen Martinus” bestond. En volgens het door de pastoors bijgehouden ‘Memoriboec’ (uit de 15e en 16e eeuw) was het hoofdaltaar toegewijd aan de Heilige Nicolaas. Ja precies, de Goeddheiligman wiens feestdag wij nog steeds vieren op 6 december. Maar zoals gezegd: vanaf 1575 bezaten de katholieken geen eigen Godshuis meer.

Van een nieuwe katholieke kerk kon geen sprake zijn. We weten allemaal hoe het er bij het begin van de Reformatie uitzag voor het nog zeer grote katholieke volksdeel. En wie zorgden er voor de overgebleven katholieken? Konden ze nog wel ergens hun erediensten uitoefenen? Antwoord op die vraag kreeg ik een twintigtal jaren geleden op het oud-archief van de, toen nog bestaande, gemeente Voorburg. Op een prachtige zomerdag, midden in de vakantietijd, diende een jonge man zich aan, die zich bekend maakte als pater Dries van den Akker s.j. Aangezien hij in wielrennerstenue binnenkwam, kon ik het niet nalaten op te merken, dat ik al heel wat paters jezuieten in mijn leven had gezien, maar nooit in die outfit! Maar wat kwam de goede man doen?

De pater was op zijn racefiets een toer aan het maken langs de Zuid-Hollandse boerderijen om aldaar de IHS-symbolen of kruisjes te inventariseren. Pater Dries trof op vele nog bestaande boerderijen in Zuid-Holland die symbolen aan, meestal boven de staldeuren. Hij vertelde erbij dat na de Reformatie, toen de uitoefening van de rooms-katholieke eredienst verboden werd middels plakkaten, rondreizende priesters – in ons geval veelal paters jezuïeten – ergens bij een afgelegen huis of boerderij de H. Mis kwamen lezen. Vrome vrouwen klopten dan bij de huizen van de katholieken aan om de locatie en het tijdstip bekend te maken waar die dienst zou worden gehouden. Om die reden werden die onmisbare fakkeldraagsters al snel ‘klopjes’ genoemd.

In Voorburg duurde die schuilkerkentijd bijna tachtig jaar, om precies te zijn van 1575 tot 1654. In dat jaar – 1654 – benoemde de Hollandsche Zending – een soort missie-episcopaat – weer een pastoor in Voorburg. Op exact 875 meter van de oude Martinuskerk werd een nieuw Godshuis opgericht. Als een argeloze wandelaar dat Godshuis ging zoeken, zouden ze die nooit hebben gevonden.

2. De Martinusparochie in Voorburg

Het eerste kerkje na de Reformatie leek allesbehalve op een traditionele kerk of kapel. Integendeel, het was meer een soort huiskapelletje, behorend bij het woonhuis van de pastoor. Want door tussenkomst van een niet onbemiddelde katholiek, Michael van der Dussen uit Delft, kon de pastoor zijn intrek nemen in een buitenhuis aan het Oosteinde, ‘Byvliet’ genaamd. Er werd een bedrag van niet minder dan 2000 gulden voor neergeteld! De ingang van het kapelletje lag ook niet aan het Oosteinde maar aan de Vlietkant.

De eerste officieel benoemde pastoor na de Reformatie was pastoor Eduardus de Graaf. We schrijven nu in of rond het jaar 1654. De Vrede van Munster was nog maar zes jaar geleden, in 1648 dus, getekend. Die pastoor had het bepaald niet gemakkelijk. En om te illustreren hoe de situatie toen was, het volgende. De pastoor wordt ontboden bij de baljuw, tevens dijkgraaf van Rijnland, een zekere Amelis van den Bouchorst, en krijgt daar onder meer het volgende te lezen: “Dat hij om de placcaeten… te executeeren ende doen executeeren persoonlijck verscheyden paepen, soo tot Voorburch, Colslagen, Soetermeer, als elders hadde gevangen ende door zijn substituyten indertijdt hadde doen vangen”.

En dat die bewuste baljuw niet voor de poes was werd daarbij het volgende opgetekend: hij – de baljuw – “ging voorop met t rappier ofte pistool in de handt, dat hij vele autaren hadde gedemoliert en doen demolieren van de priesters in Rijnland hare huyzen, boecken en papieren onderscheydelijcke male in persoon gevisiteert ende laten visiteeren.” Dat die ambtsdrager toch eigenlijk niet zo erg rechtlijnig was, moge blijken uit het feit dat, als er met geldstukken werd gerinkeld, de man best bereid bleek de andere kant op te kijken.

Zo rond 1675 kon de kapel dan enigszins verbouwd worden en geschikt gemaakt voor de rooms-katholieke eredienst. Dat was onder de opvolger van (bouw)pastoor De Graaf(f), pastoor Johannes Verhorst. Wij zeggen nu gewoon ‘pastoor’, maar in de annalen wordt hij nog ‘paepe priester’ genoemd! Na deze pastoor volgen er nog twee met wel zeer klinkende namen: de uit een zeer deftige Utrechtse familie stammende pastoor Theodorus Stalpaert van der Wielen en weer later de neef van de apostolisch vicaris: Joannes van Neercassel. (Een apostolisch vicaris is zoveel als een missiebisschop, maar in dit geval met de aantekening: “In partibus infidelium”, ofwel ‘in het gebied van de ongelovigen!’)

Pastoor Van Neercassel kreeg ooit een boete van 800 gulden(!), omdat hij een predicatie had toegelaten van een “niet-goedgekeurde” priester. Maar ondanks dat was de man kennelijk niet echt onbemiddeld, want hij liet niet onbelangrijke sommen geld na voor het onderhoud van het – inmiddels behoorlijk bouwvallige – kerkje. Bovendien liet hij een kelk op eigen kosten vervangen en schonk hij het kerkje een van schildpad gemaakt tabernakel.

Over het kerkje of kapel schreef hij ooit: ”De kerk, hoewel onlangs gemaakt, is door haar lichte timmering wel omtrent vier vingers gezakt; de paal van de oude kerk en waar de nieuwe gezamenlijk op rusten was door het water vergaan, de vloer van de oude kerk was wel vier tot vijf voet lager van gewelf als de nieuwe was. Om alle lekgaten daar te voorkomen en de gehele lengte van de kerk onder een gewelf te krijgen, heb (ik) de oude kerk tot de grond afgebroken en een nieuwe onder een gewelf weer opgebouwd.” En dit gebeurde allemaal op kosten van de genoemde pastoor Van Neercassel. We zijn nu aangeland rond het jaar 1692.

3. Jansenisme in Voorburg

Zoals de vorige keer verteld: eind 17e en begin 18e eeuw werden de Voorburgse katholieken geconfronteerd met een kerkelijke scheuring die ook hier nogal wat onrust teweegbracht. Opeenvolgende pastoors waren of werden aanhangers van de leer van de in 1638 overleden bisschop Cornelius Jansenius, of in gewoon Nederlands: Cornelis Jansen. Zijn leer is bij ons nog steeds bekend als het Jansenisme, wat we nu terugvinden bij de Oud-Katholieke Kerk.

Zonder hier verder alle theologische achtergronden weer te geven van deze beweging; die door de geschriften van en over de kerkleraar Augustinus werd geïnspireerd; bisschop Jansenius had bepaalde nogal strenge opvattingen over de genadeleer, die door het officiële gezag van Rome niet werd geaccepteerd en als ketterij werd veroordeeld. De leer stelde hoge eisen aan het biechten en het te communie gaan. Men diende zich op de ontvangst van die sacramenten langdurig en ernstig voor te bereiden.

Gevolg was een kerkscheuring: de zich noemende Oudkatholieken vormden een eigen kerkgemeenschap en eigen hiërarchie, zònder het oppergezag van de paus. Ook in Voorburg ontstonden er conflicten met pastoors die met die leer instemden. Het eerste conflict ontstond bij een zekere pastoor Van Beest. Hij werd in 1704 door de Staten van Holland uit Voorburg en Holland verbannen. Reden: verstoring van de openbare rust.

Zijn opvolger, een zekere pastoor Nicolaus de Reeder, was hier pastoor van 1704 tot 1716. Ook hij had jansenistische denkbeelden; onderwierp zich in 1714 wel aan het gezag van de Heilige Stoel, maar kon toen in Voorburg geen goed meer doen en moest verdwijnen. Dat het soms hoog op kon lopen blijkt uit een gerechtelijk proces uit die jaren over een zekere Annetje Jans, die in de trekschuit dreigementen en lasteringen tegen pastoor de Reeder had geuit. Ze had zelfs gedreigd mee te helpen om de pastoor uit zijn huis te halen…!

Dat hier steeds weer jansenistische pastoors konden optreden werd mede veroorzaakt doordat de Staten van Holland meer op hadden met de Oudkatholieken dan met de Rooms-katholieken. Die Staten van Holland hadden in die tijd veel in de melk te brokkelen. Toen een andere priester, een zekere Silvester Boudewijn Trimault zich in Voorburg liet zien kreeg hij van de baljuw van Rijnland te horen dat hij zich noch met de zittende pastoor noch de Kerk van Voorburg “sal hebben te bemoeyen off iets te ondernemen ofte doen, ’t welk eenigsints de rust onder de catholijcken ingesetenen soude connen troubleren, maer hem stil ende gerust te houden.”

Ondanks alle gerommel binnen de kerkelijke opvattingen en hun voorgangers bleven er in Voorburg toch steeds pastoors hun opwachting maken. Na pastoor De Reeder was er pastoor David van der Mije, die hier resideerde van 1716 tot 1730. In dat jaar 1730 werd deze zeergeleerde pastoor benoemd tot president van het Pulcheria-College in Leuven hetzelfde college waar bisschop Jansenius ooit aan verbonden was.

Pastoor Van der Mije werd op zijn beurt weer opgevolgd door een zekere – wederom jansenistische – pastoor Hansen (1731-1761). Toen deze pastoor geruime tijd uit het zicht was vanwege ziekte en er inmiddels alweer een nieuwe pastoor, Joannes Casimirus Hooft, was benoemd, kwam pastoor Hansen na hersteld te zijn weer terug op de pastorie. Maar ja, twee pastoors op een kerkelijk schip: dat kon niet goed gaan… Ook de parochianen lieten hem niet meer terugkomen!

We schrijven inmiddels 1761: weer presenteert zich een nieuwe pastoor die hier twaalf jaar zou blijven. Pastoor Hooft wordt in een belastingkohier omschreven als: “Johannes Hooft, Rooms Priester, meent in huure waardigh 125 gl ’s jaars, hout een meijt” Kennelijk een niet onbemiddeld man. En uit de toevoeging ‘Rooms’ mag men opmaken, dat deze pastoor zich niet inliet met de jansenistische stroming.

4. Een echte kerk, nou ja kerkje!

We ontkomen er niet aan: we moeten van tijd tot tijd een misschien saaie opsomming geven van allerhande pastoors. Maar zij waren het immers die tegen de verdrukking in het geloof levend probeerden te houden in het toen nog zo landelijke en agrarische Voorburg. En dan ga ik toch weer even terug naar de in mijn vorige artikel genoemde pastoor J.C. Hooft en naar het jaar 1773. Hij was de laatste pastoor die nog in het oude ‘Byvliet’ zijn pastorale werk deed. Daar kon hij toen overigens niet zomaar mee beginnen. Eerst moesten er recognitiegelden (ƒ 660,-) voldaan worden en wel aan de Weledelgestrenge Heer Dijckgraeff van (het Hoogheemraadschap) Rijnlandt.[i]

De pastoor overlijdt nadat hij twaalf jaar de hem toevertrouwde kudde in Voorburg heeft gediend. En toch wel weer vermeldenswaard: hij wordt begraven in… ja de Oude of Martinikerk aan de Herenstraat en wel op 12 juli 1773 “ten Noorden van het fundament van de toorn (sic)” Dat was immers de enige plek waar Voorburgers toen begraven konden worden: in of rond de Oude Kerk. De begraafplaats aan de Parkweg bestond nog niet! Dat de overleden pastoor niet onbemiddeld was, was al bekend. En daarom is het ook aan hem te danken dat er plannen konden worden gemaakt om een nieuw kerkgebouwtje te realiseren. Hij liet daarvoor een aanzienlijke som geld na bij zijn overlijden.

Met dat legaat kon zijn opvolger, pastoor Cornelius Gerardus de Graaff, een begin maken met een nieuw kerkgebouw. Het oude gebouwtje was aan alle kanten afgekeurd nadat de “opziender en controlleur” J. van der Linden op 25 januari 1774 een “oculaire inspectie” had gedaan. Nu moet u niet denken dat er nu een volwaardig kerkgebouw kon verrijzen, integendeel. De ingang mocht niet aan de straatkant van het Oosteinde liggen. En het gebouw mocht er ook niet uitzien als een kerkgebouw, dus geen ‘kerkelijke’ voorgevel, geen kruisuitbouw, geen ‘kerkelijke’ ramen. Maar toch: op 27 september 1774 mocht dan het kerkgebouw officieel in gebruik worden genomen. De wijding was een maand later, in oktober, de 11e om precies te zijn. Pastoor J. Uitenhooven uit Leidschendam mocht de feestpredicatie houden!

En daarna was het weer koek en ei? Vergeet het maar. De preek was gebaseerd op psalm 133, de verzen 1 en 2. Nieuwsgierig naar wat daar dan zo aanstootgevend aan was? Welnu: “Welaan dan, zegent de Heer, gij allen dienaars des Heren; Die dienst doet in het huis van de Heer, in de nachtelijke uren.” De preek wordt zelfs in druk uitgebracht; je kunt hem kopen in Amsterdam, Leiden en Rotterdam. Maar de raadspensionaris (soort minister-president) denkt er anders over. Hij deelt mede: “dat in deze preek seekere passagie gevonden wierd, welke aan een iegelijk zeer aanstootelijk moest voorkomen, en dat dezelfde passagie, zowel als het uitgeeven der predikatie allesins strijdende waaren met de adres door Hunne Edele Groot Mogenden teegen de stoutigheden der Roomsgezinden gesteld.”

Ruim vier jaar later overlijdt ‘bouwpastoor’ de Graaff. Ook hij wordt begraven in… de Oude Kerk van Voorburg, ja, die aan de Herenstraat. Zal zijn opvolger pastoor Joannes Meijbeek ook met die ‘stoutigheden’ geconfronteerd worden? In ieder geval was dat een pastoor met haar op de tanden.

[i] Recognitie is erkenning. Gelden die de rooms-katholieken moesten betalen ten tijde van de Republiek om kerkdiensten ongestoord te kunnen houden.

5. De patriottentijd

De nieuwe pastoor, Joannes Meijbeek, die hier maar liefst achtentwintig jaar blijft, moet zijn ambt in een roerige tijd uitoefenen. Hij is een overtuigd Patriot en heeft dus maar weinig op met de zogenoemde Orangisten, ofwel de mensen die het huis van Oranje weer een plek in de Nederlandse samenleving willen geven. Acht jaar na zijn aantreden moet hij zelfs vluchten voor de Pruissische bajonetten. Hij vindt dan onderdak bij een collega-pastoor in Haarlem. Weer acht jaar later keert hij naar Voorburg terug, maar echt rustig is het er nog steeds niet.

In een brief aan de aartspriester (vergelijkbaar met deken) klaagt hij: “wegens den naren kommerlijken toestand zijner gemeente bij zijn retour wegens de vaderlandsche troubelen”. Het vuur wordt hem na aan de schenen gelegd, met name door de Orangistische burgemeester en dito gemeenteleden. Want zelfs in Voorburg konden de gemoederen verhit rfaken, getuige de hier afgebeelde prent van een uit de hand gelopen ruzie (met moord tot gevolg) in de aloude herberg De Swaen, het huidige Swaensteijn.

Dat de pastoor niet voor de poes was blijkt wel uit het volgende voorval. Als de pauselijke internuntius (gezant van de paus) Cesare Brancadoro bij de pastoor op de pastorie komt aandringen om een brief voor te lezen om het wankele Huis van Oranje weer een plek te gaan geven, weigert de pastoor pertinent. De monseigneur wordt min of meer de stoep gewezen. “In gramstorigheid verliet hij de pastorie” staat er geschreven! Maar in 1807 komt ook aan het lange pastoraat van Joannes Meijbeek een einde en wordt hij begraven in de Oude Martinikerk, “in het 8ste plijn no. 18” wel te verstaan.

Van zijn opvolger Nicolaus de Jong wordt gezegd dat hij een bedaard en wijs man was. Hij probeerde nog één keer de Oude Kerk aan de Herenstraat weer in katholieke handen te krijgen. Dat was in het jaar 1809. Er was het jaar tevoren een decreet uitgevaardigd waarin stond dat de grootste kerkelijke gemeente de grote plaatselijke kerk zou krijgen. In Voorburg lukte dat de katholieken niet!

En dat de ‘troubelen’ nog steeds aanwezig waren valt te lezen in het dagboek van de aartspriester (deken) Ten Hulscher: “Nu sloeg ik onmiddellijk de handen aan het werk, om in de openstaande pastorijen te voorzien, opdat de oeffening van godsdienst niet langer gestremt mogte worden; verscheidene pastors waren er, die om de vervolgingen van Vrij-Heeren of Bailluwen te ontgaan, of om zig voor de woede van een woest gepeupel te verbergen, zig van hunne posten afwezig gemaakt hadden: zoals gebeurde met de Eerwaarde Heer Johannes Meijbeek te Voorburg.” Maar soms schrijft hij ook weer iets meer positiefs over Voorburg, zoals in 1807. “Een weinig buyten
het dorp staat een fraaye, sedert weinige jaren nieuw-opgerichte kerk en pastorij. Het gesticht is nog bezwaard met een kleine schuld
van Fl. 400.”

De katholieken kregen weer wat meer armslag. We schrijven nu, halverwege de negentiende eeuw, de tijd van het Herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie in 1853, zoals we vroeger op onze katholieke geschiedenislessen leerden. We zijn niet langer een ‘missiegebied’.

6. Halverwege de negentiende eeuw…

Halverwege de negentiende eeuw mag de katholieke gemeenschap weer wat opgeluchter ademhalen. Tussen 1824 en 1875 verrijzen er weer kerken, vooral kerken in de zogeheten ‘Waterstaatstijl’. Dit omdat ingenieurs van het Ministerie van Waterstaat werden aangewezen om toezicht te houden op de ontwerpen en bouw van die ‘roomsche’ kerken. De stijl is vaak een mix van oude stijlen als onder meer barok, meestal neoclassicisme genoemd.

Leidschendam is in onze omgeving als eerste aan de beurt. In Voorburg ligt de situatie anders, daar staat al een kerkje op de plek van het buitenhuis ‘Byvliet’. Het is nog steeds niet echt kenbaar als een kerkgebouw. De pastoor na 1817, Theodorus Gustavus Seegers, blijft hier maar liefst twintig jaar tot 1837.

Hij krijgt de kans om het kerkgebouwtje een ander aanzien te geven. In 1824 wordt de voorzijde verbouwd en er komt een klokkentoren met een heuse klok. De vensters krijgen een gotische spitsboogstijl. In 1827 komt er zelfs een kerkhof naast de kerk met plaats voor een priestergraf. En er komt zelfs een beeltenis van de H. Martinus in de voorgevel. Maar daarmee was het werk nog lang niet af. Na 1837 worden er nog veel meer wijzigingen aangebracht aan het kerkje.

Pastoor Joannes Mesker, waarvan op de pastorie nog steeds een schilderij bestaat, waar hij nogal verstorven op staat afgebeeld, gaat voortvarend te werk. De hoofdingang komt nu echt aan de straatzijde omdat het hoofdaltaar naar de Vlietzijde wordt geplaatst. Aan weerszijden van het hoofdaltaar komen twee zijaltaren. Ook aan de Vlietzijde. Er wordt zelfs een heuse gerenommeerde architect voor uitgenodigd: Th. Molkenboer uit Leiden. Dankzij een paar genereuze donaties van een paar goed bij kas zittende Voorburgse families wordt het werk voor een bedrag van ƒ 15.900,- aanbesteed. Resultaat: hoofdingang aan de straat; twee zijaltaren en maar liefst twee klokken en – zoals beschreven – een ijzeren tabernakel.

Op 27 augustus 1843 werd de eerste Heilige Mis gecelebreerd en op 25 oktober van dat jaar kon Mgr. Baron C.L. van Wijkerslooth de kerkwijding verrichten. Over deze bisschop zijn uitgebreide verhandelingen geschreven, waaruit voornamelijk blijkt dat hij behoorlijk vermogend was. En daarbij: hij was nog steeds bisschop ‘in partibus infidelium’ ofwel in het gebied van de ongelovigen ofwel heidenen. Toch niet echt een eretitel, lijkt het. Maar voorwaar, er komen betere tijden aan. In 1853 krijgen we het Herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie en zijn wij èn de bisschoppen niet meer ‘in partibus infidelium’.

Daarbij wil ik toch nog een laatste aantekening bij deze aflevering maken. In veel verhalen rond de opbouw van het vernieuwde kerkgebouw komt steeds de naam van een zekere dr. mr. Antonius Alexis Josephus Meijlink voor. Deze zeer geleerde man was ooit gemeenteraadslid van Voorburg, lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland en lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal en ook nog eens advocaat bij de Hoge Raad. Mede dankzij deze katholieke voorman kon het eerst nogal armzalige kerkje van Voorburg, ooit gefundeerd op een buitenhuis aan de Vliet, uitgroeien tot een volwaardige kerk en schonk hij er zelfs een doopvont aan. Echt lang heeft dit (dorps)kerkje er niet gestaan. Vanaf 1864 komt er weer een pastoor, die behalve als pastoor ook als bouwheer zal gaan optreden: Joannes Steenvoorden. Hij zal weer een heel nieuw tijdperk gaan inluiden.

 

7. Een nieuwe pastorie en een nieuwe pastoor…

Zoals in de vorige aflevering vermeld: er treedt weer een nieuwe pastoor aan, die zich met recht en reden bouwpastoor mag gaan noemen. Pastoor Joannes Steenvoorden is hier, vanaf 1864, welgeteld vierendertig jaar in functie tot 1898. Het optreden van deze pastoor heeft kennelijk ook al eerder de aandacht getrokken. Vorsend op het internet blijkt dat de in Noordwijkerhout geboren boerenzoon Joannes Steenvoorden door de president van het grootseminarie Warmond al werd gekenschetst als: “Een brave, goede, maar enigszins woeste jongen. Middelmatige student. Zijn preken is nogal redelijk, maar wat woest.” Uit andere beschrijvingen blijkt ook telkens weer dat deze fors gebouwde pastoor er een was met bruuske manieren, een werker van rusteloze bedrijvigheid en “een van de merkwaardigste pastoors, die de parochie gehad heeft.” Aldus wordt hij omschreven in de parochie van de H. Antonius Abt in Delftshaven, waar hij al eerder driftig aan het bouwen was geweest.

Nog weer eerder, direct na zijn priesterwijding, werd hij door bisschop Van Vree benoemd tot de eerste pastoor in de pas drooggelegde Haarlemmermeer. Een stuk land nog zonder verkeerswegen, waar mijnheer pastoor te paard – met planken onder de hoeven gebonden om niet in de drassige bodem weg te zakken – zich een weg moest banen door het ruige land. Wat en wie de goede man daar aantrof in dat toen uitgesproken ruige land met eveneens ruige bewoners wordt uitgebreid uit de doeken gedaan, maar voert in dit kader te ver om te vertellen.

Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat een van zijn eerste activiteiten hier is: bouwen! En wel, een nieuwe pastorie! In februari 1865 spoort hij zijn parochianen aan om daarvoor vrijwillige bijdragen te gaan leveren. Een klein jaar later vindt de aanbesteding plaats in de herberg ‘De Zwaen’. De aannemer mocht het werk uitvoeren voor het bedrag van ƒ 13.981,- Er zijn parochianen die vinden dat de nieuwe pastorie naar verhouding van het toen nog functionerende kerkgebouwtje veel te lux is. Geen wonder, weerlegt de pastoor. Die kerk ligt 0,80 el beneden het maaiveld, terwijl dat minstens een el erboven zou moeten zijn. De gelovigen moeten twee treden afdalen om in het kerkje te komen! Maar ja, bedenk dan dat dit kerkgebouw heel primitief is gebouwd vanwege de toen geldende wet die verbood dat een kerk op een kerk leek. Het moest op een gewoon huis lijken en de ingang mocht zelfs niet aan de openbare weg, het Oosteinde, liggen, maar in dit geval aan de Vlietkant. Uiteindelijk komt die pastorie er toch, maar de daar wonende pastoor zit niet stil.

In 1875 ontmoet hij in Rome Paus Pius IX en in 1878 begint hij zijn titel van ‘bouwpastoor’ al meer in praktijk te brengen. In 1878 laat hij het voegwerk van kerk èn pastorie, alsmede het leien dak herstellen. Hierbij kun je opmerken dat die pastorie toen pas twaalf jaar oud was! In 1879 is de pastoor alweer aan het bouwen of liever gezegd aan het slopen. De koepel achter de kerk is zo bouwvallig, dat die maar beter gesloopt kan worden. Ook op andere terreinen was pastoor Steenvoorden een voortvarend man. Hij laat verfraaiingen aanbrengen in de kerk, houten onderdelen worden vervangen door marmeren en er komt een solide brandvrije tabernakel. In datzelfde jaar 1882 laat de pastoor een gesticht bouwen, destijds bekend als het Zusterhuis van de congregatie van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort. De zusters van deze congregatie legden zich, conform hun motto ‘La Pédagogie Chrétienne’ toe op de christelijke opvoeding van kinderen. Na al die activiteiten komen we rond het jaar 1890 een beschikking tegen van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, waarin staat: “Verlof tot bouwen van eene kerk in de nabijheid der R.K. Begraafplaats.” En of het kerkbestuur voor deze beschikking een bedrag van ƒ 2,85 aan leges wil storten…

8. Een echte kerk komt in zicht…

Als pastoor Steenvoorden in 1864 aantreedt duurt het al bij al nog negenentwinitg hele jaren alvorens de neogotische kerk van architect Margry kan worden ingewijd. In die tussentijd wordt het oude nog af te breken kerkje verrijkt met allerhande schenkingen, zoals een verguld-zilveren ciborie (1868), een rood fluwelen misgewaad met zilveren gespen en beslag (1869), zilveren sloten en hoeken voor een Epistel- en een Evangelieboek (1873) en bij het zilveren priesterfeest van pastoor Steenvoorden, op 12 augustus 1874 wordt de kerk verrijkt met niet minder dan zes zilveren kandelaars, geschonken door parochianen. Maar er gebeuren niet alleen zaken ‘Ad Maiorem Dei Gloriam’, ofwel tot Meerdere Eer en Glorie van God, maar ook trieste. In februari 1881 komt er een melding dat er is ingebroken in de kerk en dat onder meer een verguld-zilveren kelk met gouden cuppa en pateen en zilveren koorbellen zijn ontvreemd. Pastoor Steenvoorden deelt de diefstal keurig mee aan zijn bisschop, maar schrijft in zijn brief dat er niet voor ƒ 50.000,- – zoals de kranten beweren – maar voor ‘slechts’ ƒ 2.000,- aan waarde is gestolen!

Intussen rijst de vraag: waar moet de nieuwe kerk nu eigenlijk gebouwd gaan worden? De voortvarende pastoor koopt voor ƒ 8.100,- (in 1870!) een stuk land ter grootte van 2 bunders en 58 roeden en 23 ellen, met bouwmanswoningen en stalling en twee arbeiderswoningen. Dat complex, grofweg te vergelijken met de oppervlakte van ruim vier voetbalvelden, was naast het toen al bestaande kerkhof gelegen. Op het terrein van het verplaatste en uitgebreide kerkhof zou de noodkerk moeten komen, want de nieuwe kerk moest op de plek komen van het af te breken kerkje, voorheen buitenplaats Byvliet. Om het een en ander te financieren kwamen er giften. Die giften kwamen onder meer van een warmoezenier, wonend op tuinderij ‘Het Paradijs’, en… van de pastoor zelf. Pastoor Steenvoorden had bij zijn zilveren priesterfeest het voor die tijd formidabele bedrag van ƒ 10.000,- van zijn parochianen en vrienden ontvangen. Hij besloot dit bedrag zelf te verdubbelen en dat voor de bouw van de nieuwe kerk in te zetten. Na toestemming van de bisschop komt architect Margry zelf kijken waar hij zijn kerkontwerp zal gaan realiseren. Na voorts nog een lening van ƒ 50.000,- af te sluiten gaat de pastoor verder om zijn parochianen te bewerken toch vooral zoveel mogelijk naar vermogen bij te dragen. Geheel in zijn stijl schrijft meneer pastoor: “Voor God nog een Schoon Huis te moeten bouwen” en dat ondertekend met: “Met de meeste hoogAchting Uw ridderlijke Overwinnaar J. Steenvoorden (pas)”.

Het is inmiddels al gebleken dat pastoor Steenvoorden geen katje was dat met blote handen moest worden aangevat. Daarom nog een klein voorval. Als de locoburgemeester T.J.M. van Everdingen (inderdaad de Van Everdingenstraat is naar die wethouder vernoemd) de pastoor vraagt naar het gemeentehuis te komen vanwege een kwestie over het schoonmaken van een sloot langs de kerk, schrijft de pastoor dat hij thuis blijft en dat hij van dergelijke zaken niet gediend is.

Architect Evert J. Margry maakt een bestekboek aan de hand waarvan het werk aan de kerk kan worden aanbesteed. Negentien potentiële bouwers schrijven in met bedragen die lopen van ƒ 100.800,- tot ƒ 120.990,-. Voor het laagste bedrag van ƒ 100,800,- wordt het werk gegund aan de Haarlemse aannemer J. Slenters. Dat gebeurde op 1 maart 1891 in ‘De Gouden Bal’, een koffiehuis in de Herenstraat, thans huisnummer 33. Ongeveer vijf maanden later legt de deken van ‘s-Gravenhage, Mgr. J.Th.A. Heyligers de eerste steen. Het is dan 29 juli 1891.

9. De ‘nieuwe’ Sint Martinuskerk

Na lange jaren van voorbereiding en gesteggel gaat er dan toch gebouwd worden… Het eerste gedeelte moet op 15 november 1891 klaar zijn en het tweede deel precies een jaar later. De nog bestaande kerk met toren(tje) en de sacristie komen in handen van de aannemer, maar het kerkmeubilair blijft van de kerk. En dat zijn niet alleen de banken en stoelen, maar ook de – ene – klok en het uurwerk, alsmede het zandstenen reliëf van de Heilige Martinus. Dat reliëf en de marmeren wijwatervaten zijn nog steeds buiten en binnen de kerk te bewonderen. In het boek ‘Ik ben niet iemand die wijkt voor de Ouderdom’ van Martien Harms wordt een gedichtje afgedrukt van de toen tienjarige Maria Petronella Westgeest wat zij op school voor pastoor Steenvoorden mocht opzeggen. Dat stukje poëzie wil ik u niet onthouden.

“Wat is o God Uw Tempel schoon,
Geen Koningshuis zoo hoog in waarde
Geen woonplaats die zoo heilig is
Geen Woning die zoo veilig is
Een Hemel is ’t op aarde.
Ja, ik weet het, ik gevoel het, het is Uw Huis.”

“Hier Jezus, woont Gij in ons midden
Hier stijgen zooveel beden op.
Hier ruisen zooveel zoete zangen
Hier vindt men troost bij elke leed elks druk,
Hier vallen tranen van geluk
Als parelen van wangen.”

In minder poëtische woorden vinden we op de gedenkplaat in het portaal onder de toren, dat dit alles geschiedde terwijl koningin Emma als regentes ons land bestuurde, Paus Leo XIII de hoogste bruggenwachter was en Caspar (Bottemanne) de bisschop van Haarlem. En dit alles geschiedde A.D. MDCCCXCIII die XIV Aprilis, ofwel op 14 april van het jaar Onzes Heren 1893.

De nieuwe kerk was nu een zogeheten neogotische kruiskerk met smaller koor omgeven door een omgang, een toren met twee rijk geprofileerde nissen, bekroond met frontalen en een naaldspits, die maar liefst zevenenvijftig meter boven het maaiveld uitsteekt. Het hoeft geen betoog dat deze kerk, met – toen – niet minder dan zevenhonderdvijftig zitplaatsen, na oplevering nog vele verfraaiingen heeft gekend, waarvan er ook weer in de loop der jaren van verdwenen of zijn aangepast.

Uiteraard mag hier ook een plaats ingeruimd worden voor de architect van deze kerk, de Rotterdammer Everhardus Johannes Margry. De leerling van de bekende architect P.J.H. Cuypers, Evert Margry, was een zeer productieve bouwer. Hij bouwde maar liefst veertig kerken. In de naast omgeving onder meer de H. Laurentiuskerk van Stompwijk, de HH. Petrus en Pauluskerk van Leidschendam en de H. Bartholomeuskerk in Nootdorp. De met de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice begiftigde Evert Margry mocht de inwijding van ‘zijn’ Martinuskerk niet meemaken. Hij overleed op 8 augustus 1891, dus bijna twee jaar voor dat de kerk officieel werd ingewijd en in gebruik genomen. De bouw werd voortgezet door zijn zestien jaar jongere broer Albert, met wie hij een vennootschap had bij het bouwen en restaureren van kerkgebouwen.

Tussen 1904 en 1906 wordt er elektrisch licht en verwarming aangelegd. Er wordt een nieuwe vloer gelegd, die nu grotendeels verdwenen is. Vermeldenswaard is nog dat er in 1909 een St. Jozef-altaar werd voltooid, waarvan de marmeren tombe nog afkomstig was uit… het oude afgebroken kerkje. Dat gebeurde bij gelegenheid van het veertigjarig priesterfeest van pastoor Wilhelmus van Stee.

10. Pastoor en later Monseigneur Wilhelmus van Stee

Vijf jaar na de plechtige consecratie van de kerk begroeten we weer een prominente pastoor die van zich laat spreken: pastoor en later monseigneur Wilhelmus van Stee. Hij is pastoor van een zeer omvangrijke parochie, die zich uitstrekt vanaf het voormalige Veur tot aan Rijswijk en in het Westen tot aan het station Hollands Spoor. Het is bijna ondoenlijk de vele wapenfeiten van deze pastoor van formaat te vermelden. Ook nu nog kom je zijn naam op verschillende plekken in het Voorburgse tegen. Dat hij de stichter van St. Antoniushove is mag als bekend worden beschouwd. En dat de Mgr. Van Steelaan naar hem genoemd is uiteraard ook. Maar dat we binnen onze gemeentegrenzen ook nog een voetbalvereniging ‘Wilhelmus’ hebben, wordt niet meer zo snel aan deze pastoor gelinkt. En wat vooral de ouderen zich nog goed kunnen herinneren is de r.-k. Jongelingsvereniging St. Pancratius. Die vond door toedoen van pastoor Van Stee uiteindelijk zijn huisvesting in de voormalige buitenplaats ‘Lusthof’, beter bekend als het latere Forumtheater. Het Pancratius-patronaatsgebouw en later Verenigingsgebouw stond aan het begin van de Herenstraat, vlakbij de voormalige Sophiakleuterschool. Achter het gebouw werd nog eens een jongensschool gevestigd. In het patronaatsgebouw kregen jonge mannen niet alleen aan hun leeftijd aangepaste godsdienstige vorming, maar ook bijscholing op diverse vakgebieden.

De pastoor had zijn ideaal van een Jongelingsvereniging bereikt en ging verder. Ook volwassen arbeiders kregen al zijn aandacht. Juist in een tijd van opkomend socialisme vond hij dat die extra aandacht verdienden. Het lag een beetje voor de hand, maar op die manier de aandacht trekkend, werd hij al snel de ‘rode pastoor’ genoemd. Uit de beschrijvingen uit die tijd kan men opmaken dat die ‘titel’ door hem vooral als eretitel werd  beschouwd. Uitvloeisel van al die activiteiten was onder meer het ontstaan van de Volksbond. En uit die Volksbond ontstonden dan weer andere maatschappelijke instellingen: in 1906: het zieken- en uitkeringsfonds St. Joannes de Deo. In 1907 de harmonie St. Cecilia. In 1911 de – alweer r.-k. – Coöperatieve Bakkerij en Verbruiksvereniging ‘Onderling Vertrouwen’ opgericht. En, ik heb het hiervoor al gememoreerd, de sportclub ‘Wilhelmus’. In 1910 kreeg het Mariagesticht, aan de overkant van de pastorie, een nieuwe naaischool. En ook de kerk werd niet vergeten, daar verschenen prachtige koperen – elektrische – lichtkronen.

Maar de pastoor was nog niet aan het eind van zijn latijn. Er kwam een Gesticht onder de naam: ‘Gesticht voor Pension op deftige stand: oude mannen en oude echtelieden en ziekenverpleging met wijkverpleging’. Wilhelmus van Stee werd zelf de eerste rector van dat ‘gesticht’ en ging zelf wonen in de naast het pension gelegen rectorswoning. Het kon niet uitblijven: vanwege zijn bijzondere verdiensten werd hij door Z.H. de Paus tot Geheim Kamerheer benoemd en mocht hij de daarbij behorende – deels paarse – outfit dragen. Daarnaast ontving hij ook nog eens een ridderorde van Oranje-Nassau. Inmiddels zijn we aangekomen in het jaar 1913. In dat jaar neemt de dan 67-jarige Mgr. Van Stee afscheid als pastoor, maar blijft nog 17 jaar naast zijn pension wonen en overlijdt in Voorburg op 29 juli 1930. Hij wordt opgevolgd door een pastoor, die hier maar liefst negentien jaar pastoor blijft, de broer van de bekende staatsman en socioloog prof.mr. P.J.M. Aalberse: Bartholomeus Petrus Aalberse.

11. Een prominente opvolger van de ‘rode pastoor’

Het hoeft geen betoog dat er voor de sociale en daarom vaak de ‘rode pastoor’ genoemde Mgr. Van Stee een opvolger moest worden gezocht van enige statuur. Die figuur werd – mede door Mgr. Van Stee en de latere bisschop van Haarlem, Mgr. Callier – in 1913 gevonden in de persoon van de Zeer Eerwaarde Heer pastoor Bartholomeus Petrus Aalberse. En deze eveneens sociaal bewogen pastoor bleef tot 1932 de parochie dienen. Hij was de broer van de bekende socioloog en staatsman prof. mr. P.J.M. Aalberse, die in 1918 minister van arbeid was.

Hij liet tijdens zijn pastoorsschap twee nieuwe klokken in de toren hangen. Zoals gebruikelijk kregen die klokken namen. De een werd ‘Maria’ genoemd en de andere ‘Bartholomeus’. Op de eerste staat het opschrift (uit het Latijn vertaald): “Ave Maria. Aanvaard onze groet met Gabriëls woorden, bevestig in ons de vrede. Eva’s naam veranderend. In 1930 hebben Petit & Fritsen mij gegoten.” En op de tweede, de naam van de pastoor memorerend: “Ik, Bartholomeus, luid om God dank te zeggen voor het veertigjarig priesterfeest van Bartholomeus. 15 augustus 1930 hebben Petit & Fritsen mij gegoten.” Bij de oudste klok, genaamd ‘Martinus’ ooit – in 1843 – geschonken door pastoor J. Mesker, waren er nu drie klokken. De ‘Martinus’ woog 460 kg en had een diameter van 89 cm; de ‘Maria’-klok woog 350 kg en had een diameter van 81 cm. En de grootste, de ‘Bartholomeus’ woog maar liefst 770 kg en had een diameter van 108 cm. De nu koninklijke klokkengieterij uit het Brabantse Aarle-Rixel heeft voor Nederland en veel buitenlandse torens en carillons klokken gegoten, alsmede die voor onze Martinus. En om het klokkenverhaal compleet te maken: de klokken werden alledrie door de bezetters op 4 februari 1943 gevorderd. In mei 1946 krijgt de kerk weer drie splinternieuwe klokken, geschonken door de parochianen bij gelegenheid van het zilveren priesterfeest van de toen aangestelde pastoor.

Ook deze pastoor Aalberse heeft zijn sporen ruimschoots verdiend. Hij was een ware vriend van de toen groeiende arbeidersbeweging. Het probleem daarvan was echter, dat die arbeiders maar moeilijk leidinggevenden konden vinden om de eenvoudige reden, dat zij daartoe niet waren opgeleid. Ook daar werd een oplossing voor gevonden in het Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie, die in 1913 al begon met een cursus sociologie en economie. Pastoor Aalberse trad samen met zijn broer en de latere Haarlemse bisschop Mgr. J.D.J. Aengenent op als docenten. Het spreekt bijna vanzelf dat de pastoor deze activiteiten ook in zijn eigen parochie uitdroeg. Hij bleef de zogeheten ‘Volksbond’ steunen en stichtte in samenwerking met de Voorburgse huisarts dr. Beguin het Voorburgse Katholieke Ziekenfonds onder de naam: ‘Draag Elkanders Lasten’. Begonnen met 25 leden had dit ziekenfonds na één jaar al maar liefst 500 leden! Dat was allemaal in de tijd dat er van lieverleden voor elke maatschappelijke nood een vereniging kwam. De tijd die wij nu bestempelen als de tijd van de verzuiling.

De tijd schrijdt gewoon verder. De parochiekerk van de H. Martinus moet telkens meer stoelen bijzetten om het aantal gelovigen te kunnen bergen. Het wordt tijd om naar een tweede kerk voor de groeiende Voorburgse gemeenschap uit te zien. En die komt tot stand in 1924: de parochiekerk van Onze Lieve Vrouw Hemelvaart. Pastoor Aalberse, inmiddels om en nabij de 67 jaar, kampt met een ernstige reumatische aandoening. De koster moet hem helpen om de treden van het altaar te kunnen beklimmen. In 1932 geeft hij het op en neemt zijn intrek in het door Mgr. Van Stee opgerichte pension bij St. Antoniushove. Daar overlijdt hij in het jaar 1939, nog net voor de Tweede Wereldoorlog. De man die het stokje dan weer overneemt is de Zeer Eerwaarde Heer Joannes Bernardus Wilhelmus Maria Möller. Hij blijft hier tot 1944.

12. Pastoraat in crisis- en oorlogsjaren

Het hoeft geen betoog dat het geen sinecure is om een grote parochie te leiden in de heftige crisis- en oorlogsjaren. Op 30 september 1932 volgt Pastoor Joannes Bernardus Wilhelmus Maria Möller pastoor Aalberse op en dat blijft hij tot februari 1944 als hij eervol ontslag ofwel emeritaat aanvraagt bij zijn bisschop. De reden van zijn vertrek – en nog wel op dat moment – is een wel heel trieste: zijn gezichtsvermogen is zo slecht geworden dat hij zijn ambt wel moet neerleggen. Hij vertrekt naar de St. Jacobusstichting in Wassenaar. Daar verblijft hij ook niet lang, want het gebouw van die stichting wordt door de Duitse bezetter gevorderd en dan wordt de blinde pastoor overgebracht naar het Willibrordusgesticht, eveneens in Wassenaar, alwaar hij al op 23 juli 1944 overlijdt. Nog één keer keert hij terug naar zijn vertrouwde Martinus en wordt begraven op het kerkhof naast de kerk.

Maar dit is beslist niet alles wat over deze man verhaald kan worden. Pastoor Möller wordt omschreven als een knap literator. Hij schreef een uitvoerige hagiografie (heiligenleven) over de Nederlandse heilige Liduina van Schiedam. Van diezelfde heilige verscheen er nog een toneelspel, alsmede een groot klassiek Passiespel in drie maal vijf bedrijven. De uitvoeringen van deze spelen vonden  in Voorburg grote aftrek en dat verspreid over vele jaren. Jaren later, zo rond 1978, zou de ras-Voorburgse toneelregisseur Herman Flaton, hier nog aan memoreren. Dit naar aanleiding van een heel ander en heel modern nieuw passiespel onder de naam ‘Het Lege Graf’ dat toen voor het eerst werd opgevoerd.

Voorts schreef de pastoor in 1941 nog een lijvig theologisch werk in drie forse delen: ‘Het mysterie van het Licht. De Christus’. Ook deze pastoor was al bezig met de liturgievernieuwingen. Het grote retabel achter het hoofdaltaar verdween, zodat de kolommen, die een halve cirkel rond het priesterkoor vormen, weer zichtbaar werden. De bekende kunstenares Hildegard Brom-Fisher kreeg de opdracht zeven grote gordijnen te ontwerpen met taferelen uit de Openbaring of Apocalyps. Die gordijnen, geplaatst in de jaren 1938-1940, zijn bij de recente renovaties van onze kerk verdwenen. Mevr. Brom was de echtgenote van de beroemde edelsmid Jan Eloy Brom uit Utrecht.

Wat nog wel te zien is: het houten crucifix van de toenmalige nestor van de Voorburgse kunstenaars: Albert Termote. En wat bij nagenoeg alle diensten wordt meegedragen: het grote houten processiekruis, eveneens van de hand van Albert Termote. Blijft de vraag, is er ook nog iets wat herinnert aan de donkere oorlogstijden? Jazeker. In het grote gebrandschilderde raam van Max Weiss (uit Roermond) aan de rechterzijbeuk. Op dit pas in 1950 geplaatste raam van de glazenier zien we behalve allerhande verwijzingen naar de patroonheilige van de kerk, ook nog iets merkwaardigs uit die oorlogstijd 1940-1945. Op het raam treft u afbeeldingen aan van twee mensen die samenoptrekken naar de twee Voorburgse kerken: de St. Martinus en de dochterkerk Onze Lieve Vrouw Hemelvaart, hier afgebeeld met de silhouetten van de twee torens. Het verhaal gaat dat de pastoors in de oorlogstijd er telkens twee mensen op uitstuurden om een ommegang of stille processie te maken rond die twee zusterkerken. Een samenscholing van meer dan twee mensen was immers door de bezetter verboden!

Maar dan toch weer terug naar de hiervoor beschreven pastoor Möller. Het verhaal gaat dat de koster hem moest helpen de trappen van het altaar te beklimmen omdat hij die niet meer kon zien. Zoals vermeld: nog vóór de echte hongerwinter overlijdt hij, welgeteld 62 jaar oud.

Maar ook voor hem staat er al weer een opvolger klaar. Op 10 maart 1944 komt de dan 46-jarige pastoor Adrianus Jozef van den Oudenhoven aangetreden, die hier blijft tot 18 april 1964, dus ruim twintig jaar! Dat deze man het niet gemakkelijk zou krijgen, laat zich raden. Het was oorlog en het allerergste moesten we nog krijgen: de langdurige honderwinter. Over deze pastoor doen verhalen de ronde dat hij zijn drie kapelaans – ja die waren er toen nog! – aan de bezetter moest afgeven. Maar ook heeft hij zijn naam verbonden aan de legendarische ‘pastoorssoep’ waarmee hij de hongerende inwoners van Voorburg trachtte te ondersteunen.

Maar daarover de volgende keer meer.